Met een weekje vertraging was het deze zondag dan zo ver. De nieuwe koerstenues waren eerder deze week geleverd door Vermarc, want wij kopen lokaal en niet in China hoewel de uitrustingen daar misschien toch ook wel gemaakt zijn. Maar hadden ze effectief van China of Taiwan gekomen, hadden de maten veel te klein geweest en zou niemand van de met spieren behangen WTC-leden in zijn zondags kostumeken gekund hebben. Ge zou Stefano Di Longo met zijn meter vijfennegentig daar sjiek zien staan hebben in zijn veel te korte broek van een veel te klein Chineesken. Neen, niet van dit alles, topkwaliteit gegarandeerd door stichter Frans Verbeeck, geheel toevallig naamgenoot van mijn grootvader, alleen hier en daar een zeemvel dat wat tussen de benen van Joris schuurde tijdens de rit. Is hij te groot geschapen, is hij niet gewend zijn ruiten te kuisen met zeemvel en had hij een allergische reactie, maar het resultaat was wel dat hij tijdens het rijden op nogal ongemakkelijke wijze in het eigen kruis moest tasten en zijn kunstmatige biefstuk op zijn plaats moest trekken.
In ieder geval stonden we voor de start parmantig te pronken met onze nagelnieuwe tenue, en bij gebrek aan huisfotograaf Jo Kodak, nam Bill de honneurs waar met zijn supersonische gsm. In het midden van de foto zit er wel een overbelichte vlek omdat Jean nog niet beschikte over zijn bordeaux-zwarte smoking maar was opgedaagd in zijn fluo-paksken. Ja, in het verre en bijna onbereikbare Balegem duurt het wat langer om een DPD-pakje te leveren. Eer de koerier zich daar een weg heeft gebaand door de onherbergzame oerwouden denkt hij dat hij al terug in Afrika zit. Maar geen nood, daarmee heeft Jean toch ook eens de gelen trui mogen dragen in het peloton. Bij nader inzien was dat fluo trouwens de beste keuze voor deze zondag want het was zodanig hard gemist dat wij een ganse voormiddag door botermelk fietsten. Zo “ne schonen toer”, en wat hebben we gezien? NIKS, NUL, NADA! Of we nu door de achterbuurten van Charleroi reden, op de Varkensmarkt van Aalst, of door de prachtige streek van Klein-Brabant, het was allemaal hetzelfde, mottig grijs.
Maar die dichte mist ging ons humeur niet “verdesterreweren”, en ook al bleek André op de heenweg naar het lokaal al eens gevallen, wellicht ook omdat hij niks zag, lieten wij het niet aan ons hart komen. Els trok met André op pad voor 54 kilometer grijsplezier. De andere elf startten hun motoren op beenkracht om er 76 af te malen. De Scalle en ondergetekende, die er gisteren een 110 hadden gedaan, zetten zich op kop om het tempo wat te drukken. En aanvankelijk leek dat te lukken - wij werden bijna weer ingehaald door Els en André - maar eens de anderen het doorhadden dat we de boel wat aan het saboteren waren, werden er direct twee anderen gevonden om de kopbeurt over te nemen en het tempo met een ruk omhoog te drijven. Misschien een geluk of we waren anders allemaal in slaap gevallen, van al die grijze eentonigheid.
Naast een groot blok natuur was er ook een brok cultuur voorzien op de rit. In Bornem net voor een strook kassei, riep ik :”Zie daar het kasteel van d’Ursel!”. Maar aangezien het een wit kasteel betreft, was er in de mist niks van te zien. Daar ging mijn strak voorbereide spreekbeurt over het kasteelleven van de Graaf d’Ursel en zijn gevolg. Maar meteen na het kasteel dat er niet leek te zijn, waren de kasseien er wel. Traditioneel wordt er door de kasseistampers dan eens goed doorgetrokken en aan het standbeeld van de “Anonieme Spermadonor” bleek dat we twee man kwijt waren. De President en Peter waren in velden noch mistbanken meer te bespeuren. Er werd al gevreesd dat zij voor de rest van hun leven zouden moeten ronddwalen in de uitgestrekte, mistige bossen van Klein-Brabant en Jos schoot heen alras ter hulp. Met Bill keerde hij op zijn pedaalslagen terug, maar Bill kneep de remmen dicht aan voornoemd standbeeld want cultuur vastleggen op de gsm gaat voor op vermiste collega’s zoeken. Jos dook dan maar alleen de dikke witte saus in. En na enkele minuten sloten Frankie en Peter aan, echter zonder de Jos. Peter zijn ketting was blijkbaar op de kassei van zijn kamwiel gevlogen en had zich tussen kamwiel en fietskader vastgezet. Dat hebt ge met vlieggewicht klimmers die over kassei rijden, dan gaan fiets en onderdelen maar hun eigen gang en botst de berijder op en neer als een rodeo cowboy op zijn karaktergestoorde stier. Maar Peter had gelukkig het euvel snel opgelost afgezien van een stuk plastiek dat bij elke pedaalomwenteling een irritant getik liet horen. Maar ondertussen was de Jos nog steeds niet terug. De helicopter van de Federale Politie bellen was ook geen optie want die vliegen niet uit bij mist, regen, felle zon of als de “naft” te duur is. Naar Jos bellen werd ook al niet beantwoord want de gsm opnemen op een strook kassei bleek ook niet echt evident. Maar wie doemde daar uiteindelijk op uit de dichte mist? Juist, de Jos, volledig opgaand in zijn inspanning, ogen als laserstralen priemend door de mist, blik op oneindig en gaan! Hadden we niet geroepen, hij was ons straal voorbij gereden, maar gelukkig werden de troepen toch weer herenigd.
Gelukkig maar, dat de gelederen opnieuw gesloten waren want in de finale, na een vlakke rit, doemden nog de contouren van “’t Stèt” in Asse op. En net op dat moment was een bende onverlaten van de Meuter zich beginnen infiltreren in onze rangen om er onenigheid en tweedracht te zaaien. Maar op de flanken van de hellingen, waar ze ons eens een poepie gingen laten ruiken en ons voorbij zouden stormen gelijk halve wilden, moesten ze zelf passen en waren ze maar al te blij dat ze met ons mee omhoog mochten. Na de “regroupement” op de top passeerden wij nog eens aan onze sponsor Loomans, die ik nog niet had gevonden op onze nieuwe uitrusting maar die wel op de mouw bleek te staan. Zijn winkel was echter gesloten aangezien het zondag was en dat zijn sluitingsdag blijkt te zijn. Wij dan maar in flukse vaart de Putstraat af recht het koerken van Ingrid op, waar Els ons ondertussen al proper gewassen opwachtte om zich samen met ons op een rijkelijk gevulde frigotas van de President te storten. We hadden veiligheidshalve wel eerst onze toch wat vuile racemasjienen in de zaal gezet aangezien er vorige zondag, drie ongure types op het terras hadden plaatsgevat die voor geen haar te betrouwen waren. Volgens Ingrid waren het Roemeense “plakkers” die ze liever niet als wel in haar café heeft, gezien hun weinig betrouwbare boeventronies. Maar op deze mistige zondag hadden ze de weg naar het café niet gevonden door de “smoor” en konden wij ons met een gerust hart te goed doen aan “sossis, keizekes, salamikes, cornichongs en zuur ajuintjes” en hier en daar ook een Orvalleken. Nu Kris DB zich voor drie maanden heeft bekeerd tot de sekte van de totaalonthouders, gaat Ingrid met al haar Orval blijven zitten, en zal Jean een tandje moeten bijsteken, net als Rik Pluimers die vorige week een stuk uit de Molenberg beet tijdens de Omloop.
Rufin kwam ook nog even gedag zeggen met zijn nieuw “Mohawk”-kapsel waar menig punker in de jaren 80 jaloers op zou geweest zijn. Hij was zijn buikje vol gaan eten op het eetfestijn van den “Orka” zoals hij het plastisch verwoordde waarna hij zich naar zijn maxi-cosy begaf om zijn schoonheidsslaapje te doen. Er zijn nog zekerheden op een zondagmiddag. En zo werd rit twee van het seizoen weer beëindigd met aloude gezelligheid en kameraderie. Nog van dat!
El Churto
